Kus me kus me kus me

Michel Boll debuteerde in 1996 op aandringen van literatuurkenner Martin Ros bij De Arbeiderspers met de verhalenbundel Kus me kus me kus me. Het boek werd goed ontvangen en genomineerd voor De Debutantenprijs als één van de beste debuten van 1996. De bundel bevat drie korte verhalen en twee novellen, met als fraai slotakkoord  de negentig pagina’s tellende humoristische novelle Four Memories, waarin Michel Boll de wonderlijke relatie beschrijft tussen de psychiatrisch patiënt Thomas en de would be kunstenares en bijbelillustrator Peek.

Gazelle is het openingsverhaal uit de verhalenbundel Kus me kus me kus me (naar een citaat van The Cure) waarmee Michel Boll debuteerde. Het speelt zich af in een verzorgingstehuis en gaat over onbegrip en de kloof tussen het personeel en de bewoners onderling, waarbij voor de jonge HannaH een hoofdrol is weggelegd.

‘Jij komt solliciteren,’ zei de enorme, haast vierkante vrouw die zojuist op haar af was komen stevenen op een barse toon die veel weg had van uitschelden. Ze ging gekleed in een wijde, openhangende stofjas. Over haar arm droeg ze een lange, leren brommerjas, van een soort die al jaren door niemand meer werd gedragen. Ze pakte HannaH bij de elleboog. ‘Kom mee.’

De oude meneer Klerck krijgt zijn zoon op bezoek:

‘Hij gaat de kist in? Hij gaat de kist in! Waar heb je ’t nou weer over, vuile pestkop dat je d’r bent. Treiterbek!’

De deur van kamer 317 stond half open, maar omdat HannaH bang was om in de woordenwisseling verzeild te raken aarzelde ze om naar binnen te gaan.

‘Hij gaat de kist in!’ riep meneer Klerck nogmaals verontwaardigd uit.

‘Nee ouwe, ik zeg Agatha Christie. A-ga-tha-Chris-tie, pa, je luistert niet goed: Agatha Christie! Jij vraagt aan mij is er nog wat op tv vanavond en ik zeg Agatha Christie. Een film, ouwe, dat is film!’ riep de andere, circa zestigjarige man, die ongeduldig de plastic wikkel van een sigaar af haalde. HannaH kende hem wel, het was Dirk Klerck, een gezette man met een veel te hard opgepompt, knalrood hoofd. Net Oliver Hardy, maar zonder dat je zin kreeg om te lachen. Eens in de maand kwam hij langs. ‘Zo ouwe, ik zie dat je nog steeds niet dood bent,’ zei hij dan.

De eerste keer dat ze Dirk tegen het lijf liep kwam ze net bij meneer Klerck vandaan. Hij begon meteen te je-en en jij-en. Bij die gelegenheid had hij een heel verhaal opgehangen dat hij een gesprek had gehad met de tehuisdokter over zijn oude vader. Dat de arts hem gezegd had dat hij maar beter alvast de kostbare spullen en de contanten mee naar huis kon nemen. Of het personeel, HannaH dus, daarmee akkoord ging, vroeg hij langs z’n neus weg. Ze had zich niet laten overrompelen en hem doorgestuurd naar Drieling.

‘Je zei heel duidelijk: hij gaat de kist in. Dat zei je, Dirk. Ik mankeer niks aan m’n oren.’

‘Je kachelt nou wel enorm achteruit, pa. Je hoort dingen die er helemaal niet zijn. Nee nee, het gaat niet best. Eigenlijk had je allang dood moeten zijn jij. Moet je nagaan: twee keer wat aan je lever, je maag, twee gebroken enkels – als je een paard was geweest dan hadden ze je allang afgemaakt. Uit humanitair oogpunt, zoals ze dat noemen.’

Meneer Klerck deed erg zijn best om in een vet en sarcastisch lachen uit te barsten, maar in zijn ogen stond angst.

‘Hoor nou eens ouwe, je moet me nou echt even die tweeduizend gulden lenen, die zijn me al door moeder beloofd destijds. In feite gaat het toch om m’n eigen geld, straks. Het wordt alleen maar steeds minder waard als jij het onder je houdt en er niets mee doet.’

Meneer Klerck maakte een krachteloos wegwerpgebaar.

‘Echt, pa. Nog even en je moet naar het verpleeghuis. Ik heb het er al eens met ze over gehad hier, hoor. En je ziet het toch zelf ook wel aankomen. Dan ben je alles kwijt, je hebt gezien hoe dat met ma ging.’

‘Ik ga niet naar een verpleeghuis, over m’n lijk. Daar schuiven ze alle mindere dokters naar af. Moeder lag er nog geen dag of ze had zulke dikke handen en koorts en overal jeuk. Ze kon haar arm niet meer gebruiken, dat kwam door een infuus. “Dit hebben we nou nog nooit meegemaakt,” zei die dokter. Moeder had er een bed en verder niks – in een kist heb je tenminste nog een eigen voordeur, privacy. En weet je nog dat ze toen ze was gestorven in de kelder lag opgebaard! Tussen de spullen van de verbouwing. Dat doe je nog geen hond aan. Zó’n stapel kleren had ze mee. Toen het afgelopen was kreeg ik twee lege koffers in m’n handen gedrukt en een zak met vuile kleren, nog niet eens de helft.’ Zijn ogen glansden van het vocht, maar huilen, nee, dat deed hij niet. ‘Ja, die konden ze goed gebruiken, die kleren. Die hebben ze onder elkaar verdeeld.’

In het verhaal Net als die konijnen is de randpsychotische jongen Gert ingetrokken in het tuinhuisje van zijn oom en tante, die ook al geen figuren met een alledaagse beleving van de werkelijkheid zijn. Gert is er bijvoorbeeld van overtuigd dat hij is ‘ingehuurd’ om de euthanasie van zijn oma te bespoedigen.

Omdat zwart-wittelevisie, zoals algemeen bekend, een vertekende, onbetrouwbare voorstelling van zaken geeft, had tante Lea enkele jaren her uiteindelijk toch een kleurenontvanger gekocht, een goedkoop model met een onzuivere fabrieksafstelling die het getoonde een zweem van groen gaf, maar dat was volgens haar nauwelijks bezwaarlijk, aangezien in de meeste televisieprogramma’s toch al veel groen zat. Na het onsmakelijke avondmaal (‘Zo, en wat eten we vanavond voor heerlijks? Gegrilde duif met erwten en puree mag ik aannemen!’ had oom cynisch uitgeroepen) had ze het toestel royaal in mijn werkserre geplaatst, in de oprechte verwachting dat ik me zou beperken tot natuur- en algemeen vormende programma’s. Informatieve, lichte kost, zodat ik niet te veel indrukken zou opdoen die mijn concentratie zouden schaden.

Onthutst schakelde ik het toestel om 21.52 uur voortijdig uit, na de reportage over een blind meisje, dat ter vervulling van haar hartenwens de hele dierentuin werd rondgeleid en alle dieren mocht betasten. Op de nijlpaarden na dan, die net een uur geleden geluncht hadden. En daar was de olifant. ‘Goh zeg, wat is ie groot,’ riep het meisje uit, iets te luid en te enthousiast – een irritante gewoonte van veel blinden – terwijl ze de lobbes ver boven haar hoofd over de flanken wreef. ‘Zo groot. Ik dacht altijd dat olifanten heel klein waren, dat ze ongeveer zo groot waren.’ Ze hield haar hand schuin voor zich uit ter hoogte van haar middel. ‘Zo groot, dacht ik,’ zei ze nog eens.

Een vreemde hand omklemde mijn keel, twee centimeter onder de larynx. Kuchen hielp niet. Niet slikken, niet slikken, schoot het door mijn hoofd, als ik nu net als die radionieuwslezer laatst in mijn tong zou stikken zou er niemand in de buurt zijn om te helpen. Uit die televisie, uit! Als dit een test was, dan wel een heel domme en gevaarlijke. Op zo’n manier zou er van het bestelde verhaal bar weinig terechtkomen.

Ongelooflijk – niemand had dat kleine blinde meisje ooit gezegd hoe groot ze waren, olifanten, niemand had ooit de moeite genomen. Had dat kind verdomme geen ouders?

Terwijl de deur achter me stiekem op slot werd gedraaid bedacht ik dat ik toch al met al moest concluderen, uit wat ik de afgelopen jaren zo links en rechts opving en noteerde op familieverjaardagen, dat het tuintje er heel wat frisser bij stond dan tante zelf, die zich in familiekring nogal eens wegens medische redenen liet excuseren. Het was alsof ze m’n bedenkingen regelrecht van m’n gezicht af las. Ja ja, zo zei ze, zelf mankeerde ze wel het nodige, maar hoewel ze nog maar kort in Moerman was, zag ze het positief in, want dat mobiliseerde je krachten. Ze bleek een boekje gelezen te hebben dat Helend leven of Heel het leven heette – het leek me veiliger om niet goed te luisteren, dat soort dingen zit zo in je hoofd en zie ze er dan maar eens uit te krijgen. Positief denken, daar draaide het in feite allemaal om, zei ze bloedserieus, dat was de sleutel tot de geheime deur naar een beter leven. Je moest de meevallers en het geluk als het ware met de stroop van optimisme en positivisme lokken, dan kwamen ze vanzelf op je af vliegen.

Ja, die vrouw van dat boekje had het zelf proefondervindelijk ervaren, zo ronkte tante, trots op haar bessen en toversla, die vrouw had zichzelf van de kanker genezen, louter door haar positieve instelling, en dat gaf toch een zeker vertrouwen in haar methode. ‘Niewaar Gert, zeg nou zelf.’

‘Tja, wat moet ik daar nou van zeggen. Het gaat een beetje hard voor me, vrees ik.’

‘Hindert niks jongen. Je hoeft het niet te gebruiken, maar onthoud het alsjeblieft voor jezelf: nooit blokkeren wat op je af komt. Hou van jezelf. Luister naar je innerlijke stem.’

Naar mijn innerlijke stem luisteren? Ik deed al jaren niet anders. Heel wat aardiger zou het zijn als mijn innerlijke stem eens een kwartiertje zijn mond hield, of eens een kwartiertje uit het raam ging hangen om met iemand anders innerlijke stem te kwekken over het weer en de wolkjes bijvoorbeeld hè, wat zou je daarvan zeggen.

‘Hebbes!’ Met een bliksemsnelle beweging had oom Wilbert de vlieg onder zijn lege waterglas gevangen. ‘Treiterbek.’

Hij schoof een vensterenvelop onder het glas maar deed dit zo ongeduldig dat het insect kans zag te ontglippen.

Even, heel even maar, een ogenblik van eeuwen, legde tante haar hand op mijn arm. ‘Goede voeding dus, eten wat de duiven eten en veel extra vitaminen. Daar zijn allerlei gewassen voor, ik zal ze je wel laten zien. Ik zou het me maar aantrekken als ik jou was. Een schrijver moet fit zijn, tenslotte. En zorgen voor constante aanvoer. Gewone vitamine c verdwijnt al binnen twee uur uit het bloed. Het is iets wat weinig mensen weten, het wordt met opzet niet naar buiten gebracht. Je moet je lichaam ontgiften, reinigen, dat is de sleutel tot alles. Geen vlees maar komkommersoep met uien, heerlijk, rode peper, selderieknol en tomaten. Moerman heeft het allemaal zelf bewezen met z’n duiven. Hij had de gezondste duiven van het land op het laatst. Hij heeft er zelfs ooit een duivenwedstrijd mee gewonnen, vanuit Parijs, ze kwamen ruim als eerste aan.’

‘Toe Lea, wees eens reëel, bij Alida en Trude hielp het uiteindelijk niet.’

‘Ja, maar die klampten zich ontzettend vast aan de gewone alternatieve geneeskunde, die luisterden niet echt. Ze hielden zich niet volledig aan het dieet. En ze waren al over de helft, dan haal je ze niet terug, echt niet, zelfs niet met Moerman. En allebei leefden ze op beton – niet bepaald wat je noemt een gunstig uitgangspunt, hè Wilbert.’

Zonder zijn vrouw en de afgekoelde komkommersoep nog één blik waardig te keuren stond oom Wilbert op. ‘Het was een nsb’er, die vent, hij had Duitsers als patiënt!’ Met een venijnige ruk trok hij de kamerdeur achter zich dicht. ‘Een antisemiet was het,’ klonk het luid vanuit de gang, een tamelijk machteloze locatie om een gelijk af te dwingen. ‘Zelfs na de oorlog beweerde hij nog dat joden als een kankergezwel verwijderd moesten worden. In een boek!’

Ze zweeg tot duidelijk was dat oom Wilbert zich verwijderd had. ‘Probeer het hem niet kwalijk te nemen, alsjeblieft, hij is zo vreselijk uit z’n doen. Z’n ogen hollen achteruit, maar hij weigert om er iets tegen te ondernemen, wil er geen sigaar minder om roken. ’t Is vreemd dat ik ’t zeg, maar hij heeft geen rust als hij niet werkt. Hij knijpt ’m echt voor het ouder worden, met z’n angst voor hersenschimmen.’ Onwillekeurig en met brede gebaren draaide ze aan haar bord aardappelpuree alsof ze een autobus de hoek om stuurde. ‘Zijn schrikbeeld is Groothuis, onze ouwe overbuurman, bij wie het allemaal razendsnel ging, die is helemaal dement geworden. En moet je rekenen dat die een schoenenwinkel had.’

Ik had niet de eer gehad deze Groothuis ooit te ontmoeten, maar niettemin zag ik het zonder moeite voor me: een angstige, gedesoriënteerde zestigplusser te midden van honderden paren schoenen.

‘En antisemiet of niet, eenentwintig van de vijfendertig patiënten genazen door het dieet, dat was in een onderzoek. Een Nederlands onderzoek. Van een ministerie. En nou jij weer.’

(…)

Gert’s oma is zich onderhand van geen kwaad bewust:

Oma rommelt in haar glimmende discotasje en haalt een grote, gescheurde zakdoek tevoorschijn. Ze is zo fragiel, als haar huid wat frisser was zou ze net een jong meisje zijn. Haar gezicht is sponsachtig zacht. Ze staart een tijdje voor zich uit, hoofd schuin, met een aandachtige blik, alsof iemand die wij niet kunnen horen haar iets uitlegt. Haar handen rusten in haar schoot, op elkaar. Ze knikt. Nooit zegt ze iets over opa, die pas een paar maanden dood is.

Dan begint ze opeens als een razende te kauwen, haar kaken bewegen snel op en neer. Ze stopt abrupt. ‘Een haring zou er wel in gaan, nu.’

‘Op zondagmiddag zeker, moe, gebruik je verstand,’ zegt mijn moeder luid, terwijl ze de thee binnenbrengt. Oma is niet doof.

‘Vanmorgen zei de pater in het huis: “Goeiemorgen dames en heren.” Nou dat is toch geen opening voor een mis. Geen woord Latijn is er meer bij tegenwoordig, ze praten maar wat. Toen die pater laatst onwel was, was er helemaal geen geestelijke die kon invallen, toen werd het gedaan door een stel buurvrouwen.’

Ik schiet in de lach. Mijn moeder werpt een giftige blik.

‘Zeg Jo, heb je geen pilletje, ik ben een beetje raar.’

Mijn moeder antwoordt niet eens meer. Nee, pilletjes daar kan je hier in huis naar fluiten oma, die vreten we liever zelf op.

‘Nou dan sta ik zo wel op.’ Ze tilt het discotasje op, haar stok die naast haar tegen de stoel stond geparkeerd, haakt onverwacht aan het hengsel. ‘Tsj!’ Ze lacht en schuifelt richting toilet.

‘Drie brillen heeft ze in haar tas,’ zegt mijn moeder, ‘en ze kan er niets door zien.’

Daar is oma weer, veel te snel terug, zou ze halverwege zijn vergeten wat ze ging doen? Het is niet te hopen.

‘Ik hou niet van mensen die de ene dag vrolijk zijn en de andere dag niet, ik ben altijd hetzelfde,’ zegt ze, vermoedelijk in aansluiting op een verhaal dat ze vlak na binnenkomst vertelde over ‘woorden’ die ze had gehad met een verpleegkundige. ‘Behalve je hoofdpijn is er niks van jezelf. Altijd geluid in de kamer. Vouwen van papier, opschudden van kussens, krassende vorken. En dan gaan we slapen: die man die vrouw dat mens en ik. Ik ben al in geen jaren meer een tel alleen geweest. De hele dag door: moet u nog beschuit, moet u nog kaas. Ik eet nooit kaas.’ Ze wijst naar de slapende gestalte van mijn vader. ‘Zeg hé, nou wordt het schemerig. Moet voetballen niet aan?’

(…)

Eindelijk, na al die dagen zwoegen, ligt de dood op m’n bureau en kan ik er iets mee beginnen. Als dood van stoffelijk naar onstoffelijk gaan is, naar een stelsel dat uit alle dimensies bestaat behalve de vier die wij kennen, de onkenbare achterkant van ons bestaan, dan is sterven je naar het verdwijnpunt toe begeven, de plek achter in de tekening. En als sterven dus in feite niets anders is dan door dat minuscule gaatje in de verte kruipen, dat poortje naar wat wij het eeuwige leven noemen omdat we iets moeten beschrijven wat we niet kennen en begrijpen, dan is het toch zo vreemd niet dat oma daar niet door past, met die enorme hoofdpijn van haar, ze blijft eenvoudigweg steken in de sluis.

Veel, heel veel werd me duidelijk. Nu begreep ik ook beter waarom de dood achter spiegels is, dat spiegels de ramen van het hiernamaals zijn waardoor de doden ons kunnen gadeslaan, ramen met zwart erachter, zodat wij niet terug kunnen kijken. En dat als je eenmaal weet dat ze kijken, dat het dan heel gewoon is en niet angstaanjagend.

Alles viel op z’n plaats.

De verhalenbundel wordt afgesloten door de 90 pagina’s tellende novelle Four Memories, die zelfs zijn titel al ontleend aan een misverstand. In deze novelle ontwikkelt de zojuist genezen verklaarde psychiatrische patiënt Thomas een fascinatie voor de jonge, werkloze kunstenares Peek. Een verhaal over een bijzondere liefde, over twee mensen die elkaar niet echt begrijpen, maar wel aanvoelen.

Peek heette ze, meer niet. Ze verkondigde dat kleuren uit esthetisch oogpunt geen namen zouden moeten hebben, dat reïncarnatie een gegeven is en dat de Bijbel oorspronkelijk als kinderboek was bedoeld. Ernstiger was het dat ze free jazz zonder enige reserve tot de muziek rekende, terwijl Thomas ervan overtuigd was dat het een vorm van gedrag was die eerder thuishoorde in de hoek van parkinson en andere aandoeningen van het zenuwstelsel waarbij men niet goed meer weet wat men doet.

‘Begrijp jij zoiets nou, Thomas? Het is toch waanzin? Ik bedoel dat de Sociale Dienst opeens bevoegd is uit te maken wie kunstenaar is en wie niet? Al die jaren heb ik doorgewerkt, geschilderd, getekend. Weet je wel hoe weinig dat is, een uitkering, wat een lullig bedrag dat is? Het begrip “passende arbeid” is verruimd, zei die vrouw die over mijn dossier gaat, ze hadden een baan voor me in de kunstrichting.’ Ze proestte het uit: ‘Bijbelillustraties maken en inkleuren. Religie is ook cultuur, vindt de Sociale Dienst. Dus nou zit ik vier dagen per week in Cadier en Keer achter de tekentafel bij de Eerste Oecumenische Bijbelstichting onder leiding van de heer Jaspers, om de nieuwe editie van de kinderbijbel van plaatjes te voorzien. Wat mij persoonlijk zéér dubbelop lijkt aangezien de Bijbel van oorsprong al als kinderboek bedoeld is – kijk maar naar al die hocus pocus en zo.’

Een creatieve geest als Peek liet zich uiteraard niet zonder meer kneden en in een kantoor opbergen. Zij en Jezus hadden elkaar gevonden. Ze was in de levensgeschiedenis van ’s werelds meest befaamde miracle man gedoken en triomfantelijk bovengekomen met het gat in zijn biografie, de zogeheten Ontbrekende Jaren van Christus, de periode tussen Jezus’ eerste optreden in de tempel tot zijn ontmoeting met Johannes de Doper. Over die tijd, die zijn twaalfde tot dertigste jaar besloeg, zwijgt de Bijbel in alle talen.

‘Daar wordt in de Kerk gewoon overheen geluld, ja, zo van: in die tijd vertoonde hij zich niet in het openbaar. Maar ik heb inmiddels bronnen gevonden waarin wordt vastgesteld dat Jezus in die tijd veel reisde, onder meer naar Engeland, samen met zijn oom die in de handel zat. Op dat verhaal wil ik m’n creativiteit loslaten. Zie je het voor je: een reeks komische stripalbums, Jezus en de Britten, Jezus en de Gothen, Jezus in Hispania, ga zo maar door. En dan ook: Jezus in Zeeland – waarom niet? Als Odysseus in Zeeland is geweest, zoals wordt beweerd, waarom Jezus dan niet? Zo ver liggen Zuid-Engeland en Zeeland niet uit elkaar, voor iemand die graag over water gaat. De macht aan de verbeelding! Ik kreeg ineens ontzettend veel zin heel erg veel creatief werk te maken, weet je. En niemand gaat me stoppen, want die hele Ontbrekende Periode is rechtenvrij. En van z’n familie is niemand meer in leven – op aarde tenminste! Ja ja! Wat zit je nou te grijnzen? Hé Thomas, wat vind je van m’n idee?’

Peek straalde. ‘Ik moet er nog aan beginnen hoor. Het kan geen kwaad om zoiets even te laten bezinken.’

Thomas nam Peek nog eens op. Glossy-knap was ze niet, wel buitengewoon aantrekkelijk. Ze had kleine, vriendelijke borsten, tamelijk stevig, niet van die miezerige gevalletjes die je op zomerdagen weleens ontketend in t-shirts ziet bengelen. Kort roodbruin haar met krulneigingen, te lange plukken die links en rechts uit model staken. Grappige, lichtblauwe ogen en hetzelfde spitse brilmontuur als Thomas’ schoonmoeder, die voor het laatst een modetijdschrift had ingezien toen Joeri Gagarin nog leefde. Het opmerkelijkste aan haar gezicht was echter de uitdrukking. Meestentijds keek Peek of ze zich afvroeg wat ze ook alweer ingeslikt had, of ze een kleinschalig raadsel van praktische aard op te lossen had, waardoor ze je het aangename gevoel gaf dat ze je hulp wel zou kunnen gebruiken, dat je aanwezigheid wat haar betreft zeer gewenst was.

(…)

Zouden buren of voorbijgangers hier geen bezwaar tegen maken, had Thomas een moment bedeesd gedacht, toen Peek het volume van de Chet Baker-cassette flink omhooggedraaid had, alvorens in de aangrenzende keuken het avondeten te gaan bereiden. Maar zo gauw hij zich er een voorstelling van wist te maken hoe het zou zijn als hij zelf, aan het begin van deze okerkleurige zomeravond, de straat in zou wandelen en de hemelse muziek uit het open raam hoorde komen, verdwenen zijn bedenkingen en luisterde hij rustig naar de warme trompetklanken.

Even daarvoor had hij zich in de keuken verdienstelijk gemaakt met het scheuren en wassen van sla. Een groot deel van het aanrecht was overdekt met heuvels smoezelig vaatwerk, het soort afwas waar Solzjenitsyn in Goelag Archipel tot vervelens toe over moppert.

De sla ging in een enorme houten schaal. Brutaal sneed Thomas een plakje kaas af, in de wetenschap dat Manon dit zeker zou hebben gepoogd te verhinderen, en proefde terwijl hij at ook de rook van een sigaret die in z’n eentje lag te smeulen. Terwijl Peek een en al bedrijvigheid was, praatten ze over koken, dat zij leuk vond om te doen.

‘Tenminste voor iemand koken, dat is leuk. Het maakt ook verschil voor wie je ’t klaarmaakt, het smaakt anders. Er gaat een ander soort liefde in zitten.’

Haast alles wat ze deed en ondernam was voor iemand, bedacht Thomas, terwijl hij een ontspannen pose aannam in de deuropening van de huiskamer, waar de ragfijne trompetsolo hem tegemoet waaide als een vochtwolk uit een plantenspuit, een streling op een warme zomerdag.

Zo gauw als Chet zijn trompet liet zakken en begon te zingen, werd duidelijk dat hij zijn gebit niet in had. Misschien was hij het ten tijde van de opname, die in Tokio had plaatsgevonden, wel kwijt geweest, overdacht Thomas, had de legendarische trompettist de prothese in de een of andere hotelkamer laten liggen, het was zo’n vent die altijd alles liet slingeren.

‘Zo’n zachte, lieve man,’ zuchtte Peek vertederd toen ze de cassette omdraaide, in haar midisetje duwde en de volumeknop verder naar maximaal draaide. ‘Moet je luisteren, hij zingt precies zoals hij trompet speelt, heel erg ontroerend.’ Ze sprak vol warmte over de oude schurk, die behalve zijn muziek weinig meer aan zijn hoofd had dan geld lenen voor z’n volgende shotje, en dat andere instrument van hem, waar hij naar verluidt net zo goed mee overweg kon.

‘Almost blue.’ Chet zong en trompetterde de prachtige ballad van Elvis Costello kamerbreed, het hoekje om de keuken in en aan de andere kant van Peeks etage de verkeerloze Abrikozenstraat in. Chet Baker zweefde het geopende raam uit, ditmaal zonder met een doffe bons op het trottoir te belanden, met gemak haalde hij de overkant, versierde de straat met rafelige, melancholieke slingers. Almost blue, almost doing the things we used to do, there’s a girl here and she’s almost you. Het laatste you rekte Chet tot een soort joe-hoe, alsof hij werkelijk, al afscheid nemend, door het raam vertrok, maar gelukkig, daar was ie alweer: all the things that your eyes once promised, I see in her eyes too, almost blue, almost blue, almost bloe-hoe-hoe.

Deze dag, dacht Thomas, deze dag. Onvoorspelbaar prachtig.