Krimp

Krimp begint met een bezoek van Arthur Weegbree, een jonge werkloze wiskundeleraar, aan een familieverjaardag

Als er een spoorlijn door Vera’s huiskamer had gelopen, zou Arthur zich zonder twijfel al vroeg in de avond voor de trein hebben geworpen. Het was zijn derde familiebezoek in elf dagen, de paashel niet eens meegeteld. 

(…)

Hem viel niets te verwijten, hield Arthur zichzelf voor, zittend op de kleine toiletpot, jeans op de schoenen. Er zat een maximum aan het sociaal corvee dat je van een vijfentwintigjarige kon vragen. Misschien zou een type als moeder Teresa fluitend nog drie van zulke verjaardagen hebben bezocht, maar die was als heilige hors concours.

Nog net voor hij zich op het huisraad zou storten was hij de huiskamer uit geglipt en had hij zich in het kleinste kamertje teruggetrokken. Zijn urine was oranje van de vele medicamenten, en rook naar gevaar. Nadat hij met de kleinst mogelijke hoeveelheid water had doorgespoeld om geruis te voorkomen, was hij alsnog gaan zitten, om bij te komen. Werktuigelijk controleerde hij of zijn verjaardag op de kalender stond.

(…)

‘Hoe maakt u het?’ had de heer Tamminga beleefd gevraagd toen hij Arthur de hand schudde.

‘Hoe maakt u het!’ had Arthur geantwoord. Hij had ontdekt dat deze wedervraag door de oudere generatie terstond aangegrepen werd als vrijbrief om er flink op los te leuteren. Men voerde liever zelf het woord dan eens iets van een ander op te steken.

‘Prima!’ had de oude bijna enthousiast uitgeroepen. Dit was verbazingwekkend, aangezien hij een leeftijd had bereikt waarop ernstige moeite met plassen wel het minste moest zijn.

Daar hadden ze weer gezeten, al langer samen dan de Verenigde Staten. In de ene hand een schoteltje waarop een punt appel-kruimelvlaai met te weinig slagroom, en een gebakvorkje in de andere hand. Precies gelijk namen ze beleefde hapjes en trokken ze belangstellende gezichten, hun voeten netjes onder hun stoel en niet ervoor, met hun ‘het is toch wat’-lachje als iemand een beroving met bruut geweld uit Opsporing verzocht herkauwde. Tamminga was iemand die buskaarten voor zijn verjaardag vroeg, wist Arthur van Vera.

‘Al een beetje gewend aan uw gehoorapparaat?’ sneed Vera diagonaal door het vertrek in de richting van mevrouw Tamminga.

‘Prima!’ glunderde de vrouw. ‘Ik hoor d’r zelfs meer mee als ooit.’

‘Dan,’ verbeterde haar echtgenoot haar onopvallend. ‘Het is een wonder van techniek. Piepklein. In ieder oor eentje.’

Als een mannequin draaide de vrouw haar hoofd naar links en weer naar rechts. Ze giechelde. Iedereen veinsde belangstelling voor haar oorschelpen, waarin twee witte knoppen zichtbaar waren waar twee sprieten van een halve centimeter uit staken, vermoedelijk de antennes.

‘Met daarin weer een nog kleiner batterijtje, dat anderhalf jaar werkt. Hoe ze het kunnen maken! Ze heeft er enorm veel baat bij.’

‘Ik hoor alles.’

‘In een restaurant kan ze drie tafels ver de gesprekken volgen.’

‘Helemaal als ze fluisteren,’ giechelde de vrouw.

‘In de supermarkt, alles. Geruzie, zigeunerkinderen die smoezen bij het snoeprek. Of het afluisterapparatuur is zeg.’

‘Alleen wat niet fijn is, is als je schelle geluiden van heel dichtbij hoort. Een tram die remt.’

‘Of als ik mijn koffiekopje te hard op het schoteltje zet. Dan schrikt ze zich wild.’

‘Mijn man zegt: kijk maar uit, daarmee. Straks hoor je achter een heg iemand een moord beramen als je langsloopt. En wat dan!’

In geen tien jaar was het echtpaar Tamminga zo lang aan het woord geweest. Arthur had de levensduur van het gespreksonderwerp nog even kunnen rekken door over zijn ervaringen met hardhorenden op school te vertellen, maar daar paste hij voor, dan zouden ze hem onmiddellijk vragen of zijn baan hem beviel en daar had hij geen enkele behoefte aan.

(…)

Arthur volgt een verplichte sollicitatiecursus:

‘Sorry André, maar ik verstond het niet goed, en ik denk de anderen ook niet. Kun je iets harder?’

‘Een tijger.’

‘Aha: een tijger! Sterk en heersend. Dat lijkt me duidelijk. En nu ben je, André?’

‘Een muis.’

‘En in welk opzicht specifiek?’

‘Onopvallend. Ik kan mezelf heel moeilijk op de voorgrond plaatsen. Er zijn altijd anderen die eerst aan bod komen. En ik kom pas als het donker wordt en kijk wat er aan kruimeltjes is overgebleven.’

‘Juist André, heel goed. Dat lijkt me duidelijk.’

‘En welk dier ben jij eh, draai je bordje eens hierheen… Iris?’

‘Een potvis. Ik hou van nieuwe dingen aangaan, zoeken, trekken, verkennen, rondkijken. Maar dat ik daar ook wel eens in strand, ik spoel een beetje te vaak aan. Dat ik een beetje roekeloos ben wat dat betreft.’

‘En welk dier zou je willen zijn dan?’

‘Ik zou wat meer flexibel willen zijn. Een arend of zo.’

Arthur dankte God en de zijnen dat er nog zes moesten voordat ze de kring weer rond waren. Hij had zichzelf moeten dwingen een antwoord te bedenken op de weerzinwekkende kennismakingsvragen. Hij had ervan afgezien zichzelf als lama neer te zetten, maar het nijlpaard waar hij mee aan was komen zetten kon ook niet echt de goedkeuring wegdragen van Hilde, de arbeidspsychologe die de cursus bij het fid leidde.

‘Ik vind het zo’n vaag dier,’ had ze gezegd.

‘Zo bedoel ik ’t ook,’ had hij geantwoord, ‘het is zo’n dier waarvan niemand eigenlijk weet waarvoor het is, een onnodig dier.’

‘Oké Arthur. En welk dier wil je naartoe, op termijn?’

‘Ik dacht een bever.’

‘Een bever, Arthur? Verklaar je nader.’

‘Een bever was het enige dier waar ik op kon komen dat hele dagen aan het werk is.’

‘Ik snap waar je heen wilt, Arthur, maar dat was toch niet helemaal de opdracht. Het moest meer een dier zijn dat iets over jou zei.’

Dus toch de lama, verdomme.

Eén voor één bekeek hij de gezichten van de deelnemers aan de cursus ‘Solliciteren is een vak’. Hij kon onmogelijk de enige zijn die het gevoel had hier in dit verveloze zaaltje van het fid voor schut te zitten. De Sociale Dienst, waartoe hij was vervallen na zijn wachtgeldperiode, had hem verplicht deze sollicitatietraining voor hoger opgeleiden met weinig of geen werkervaring te volgen. Behalve mislukkelingen zoals hij namen ook enkele ongerepte zieltjes, nog volop in hun afstudeerfase, eraan deel. Dit op instigatie van hun faculteiten, die hiermee ongegeneerd toegaven willens en wetens op te leiden voor beroepen waar geen vraag naar was.

Veel muizen en muggen zaten ertussen, en allemaal wilden ze olifanten en tijgers worden. Alleen Luuk, een economiestudent met maar één arm en een kunstbeen, was zo flink geweest om uit te roepen dat hij er niet aan meedeed.

‘Dat zegt ook iets over je, dank je Luuk,’ had Hilde peinzend gereageerd.

Ondertussen mekkerde Leonie, een spichtig meisje in een rolstoel, dat ze zich een koala voelde.

‘Iedereen vindt me lief en mooi,’ zei ze, wat volgens Arthur een aantoonbare leugen was, want ze zag er onaantrekkelijk uit. Maar Hilde keek wel uit om lullig te doen tegen een werkloze die ook nog eens in een rolstoel zat.

Als koala was ze een knuffeldier in een glazen kooi, vertelde Leonie, en daar wilde ze uit, ze wilde vliegen. Arthur dacht aan een documentaire over koala’s die hij eens gezien had, waarin werd aangetoond dat niet het milieu maar hun eigen hardleersheid de koala’s de das om dreigde te doen. De koala’s waren geobsedeerd door bomen klimmen, terwijl ze daar de handjes niet voor hadden. Om de haverklap sodemieterde er eentje van een tak, en geen van hen kwam ooit op het idee een huisje op de begane grond te zoeken. Het zat stomweg tussen de oren, bij de koala’s.

‘Mooi zo, dat is duidelijk. Als jullie me even een minuutje gunnen om Leonie in het schema in te vullen, dan kunnen we door met een rondje antwoorden op de tweede vraag.’

De moed zonk Arthur in de schoenen. De tweede vraag was gewoon de eerste vraag, met het verschil dat je nu diende prijs te geven welke plant of bloem je was en welke je liever wilde zijn. Met zijn cactus zou hij nog wel toekunnen, maar hij was van de zenuwen ineens vergeten waarom hij een vijfentwintig meter hoge Toscaanse cipres op de hoogste berghelling in de omtrek wilde worden.

Iris nam het woord. ‘Ik ben een soort bananenboom. Een bananenboom geeft schaduw en voedsel. Maar tegelijkertijd vergt al dat geven veel van de bodem. Bananenbomen putten de grond uit. Na een jaar of vier gaan ze heel snel een dalende oogst geven.’

‘Help ons even verder Iris – jij put je eigen grond uit?’

‘Nou, ik sta altijd klaar voor anderen. Dan heb je weer iemand aan de telefoon met problemen. En altijd dat gezeik met iemand waar de relatie van uit is. Die denken: leuk, m’n relatie is uit, laat ik effe lekker naar Iris gaan. Want die luistert zo goed. Enne. Dat beeld een beetje. Dat ik het op een gegeven moment ook goed zat word, dan merk ik dat ik zelf niks meer over heb. Dat is allemaal naar die anderen gegaan. Daarom zou ik wel iets meer cactus willen zijn. Of dat nou ook weer niet, eigenlijk.’

‘Zou je kunnen zeggen dat je een bananenboom met stekels zou willen zijn?’

‘Ja, dat is het.’ Ze wierp Hilde een bijna verliefde blik toe. ‘Ja precies.’

Leonie, die zo-even nog een koala was, bekende nu een roos in de knop te zijn, en ze wilde zo graag bloeien. Ze had kunstgeschiedenis gestudeerd, wist Arthur van de introductiedag, een onpraktische studierichting voor iemand in een rolstoel. Waarschijnlijk was ze afgestudeerd op de onderste helft van de Nachtwacht, of zoiets. Ze zou wel nooit een baan vinden.

Gaandeweg begint het werklozenbestaan hem steeds meer naar de keel te grijpen:

Platgedrukt word ik, weggedrukt, kwam er zonder duidelijke aanleiding in hem op, alsof het deel van zijn hersenen dat nu werd geactiveerd als een boek opengeslagen was blijven liggen. Er is steeds minder van me over, ik krimp. Ik heb steeds minder te vertellen en ik heb steeds minder weerstand tegen het gebazel van anderen dat in m’n denken dringt. ‘Semi-permeabel’ noemde die vreselijke Bremers dat. De semi-permeabele celwand: er kan van alles in, maar niets naar buiten. M’n hoofd raakt vol met andermans geneuzel. Mijn individualiteit lost op in de protosoep, in het geluid dat de anderen voortbrengen en in hun gedoe. Hier lig ik, in een vreemd bed in het huis van iemand die ik nauwelijks ken, ’s morgens vroeg om half zeven, terwijl het al helemaal licht is omdat de zon buiten volop straalt en dwars door de gordijnen gaat. De menselijke soort heeft zich tienduizenden jaren ontwikkeld naar een toppunt van vernuft en individualiteit en nu, met mij als omslagpunt, duikt de evolutiecurve naar beneden. Ik ben het eerste concrete bewijs van de ontwikkeling terug naar een nieuwe variant, naar een nog stommer en lulliger dier dan de tapir.

(…)

Vrijdag was de crematie, een uitbundig heet einde van dat spaarbranderleven. Als je naging wat er een energie voor nodig was geweest om al die jaren de miljarden cellen van dat lichaam bij elkaar te houden; vorm te geven aan dat lijf, het te verplaatsen van huis naar de drukkerij, waar de man bijna vijftig jaar had gewerkt zonder één keer iets opmerkelijks te presteren. Daar had je een jaar een onveilige polderweg mee kunnen verlichten…

(…)

Arthur vertelt een vriend over de afloop van zijn relatie

Dit was zoiets hevigs geweest dat het in ieder geval het einde van mijn relatie met Evelien betekende. Afgezien van het feit dat ze wist waar ik was, en dat ze het natuurlijk niet zou laten passeren. En dat klopte ook, want toen ik ’s avonds thuiskwam was ze vertrokken.’

‘Niet best.’

‘Moet je je voorstellen: ik deed de deur heel voorzichtig open, bang dat ik misschien wel iets naar mijn hoofd zou krijgen, maar nee, het bleef stil en donker. Ik stap naar binnen, voel iets kraken onder mijn voeten, knip het ganglicht aan en zie dat ik boven op foto’s sta: de foto’s van onze eerste vakantie samen. De hele gang was bedekt met een soort tegelvloertje van kleurenfoto’s, keurig aaneengeschoven in lange rijen. Ik kon geen beweging maken zonder iets te vertrappen. De enige manier om het huis binnen te komen was al die foto’s één voor één van de grond op te rapen. En ze had het niet bij de gang gelaten: alle vertrekken, van de huiskamer tot de keuken, de slaap- en werkkamers, tot de badcel en het toilet aan toe, overal was de grond bedekt met foto’s van alles wat we samen ondernomen hadden, jarenlang, in chronologische volgorde van de deur tot aan het balkon uitgelegd.’

Een vreselijker verwijt had Evelien hem niet kunnen maken, dacht Arthur, terwijl hij een moment zweeg. Hij had zich een verkrachter gevoeld.

(…)

Arthur neemt de benen bij de sollicitatiecursus:

‘Hé hallo zeg,’ zei de vrouw met de knalrode broek, ‘wat kijk jij boos!’

Arthur, die woest was komen aanlopen, tas in de hand, bromde wat en ging schuin achter de vrouw staan. Nu stonden ze met z’n drieën op de lift te wachten. De vrouw, die ruim over de dertig was en eruitzag alsof ze haar kleren zelf en uit het hoofd genaaid had, was in gesprek met een kalende, gebrilde slijmbal met een blauw-witgestreepte broek, zijn laatste haren in een staartje.

‘De stage is veranderd hè,’ sprak de vrouw op vermoeide toon tegen de slijmbal. ‘Je moet nu tweehonderdvijftig uren maken. Waarom doen ze dat niet in dagen. Het is zo’n getel!’

‘Ik ga proberen of ik een stageplaats op een asielzoekerscentrum kan krijgen,’ glunderde de slijmbal. ‘Tof!’

‘Moet je doen ja, Tjerk. Ik weet nog geen plek.’

Hoe was het mogelijk dat men op deze leeftijd nog onderwijs volgde, vroeg Arthur zich verbijsterd af. Die vrouw zou wel een herintreder zijn, die zich nog eens lekker ging ontplooien, ten koste van allerlei jongeren. Daar was de lift. Terwijl hij achter hen aan naar binnen stapte had hij al spijt. Nooit de lift nemen als je kwaad bent, oerstom is dat.

(…)

Zijn schedel kraakte van de hoofdpijnscheuten, zijn spieren verstrakten door de adrenaline die door zijn aderen jakkerde. Vechten of vluchten was de keuze waarvoor zijn lichaam hem acuut stelde. Hij moest in beweging komen, rennen. Hij had zijn spullen van tafel in zijn tas geveegd en was in één doorgaande beweging opgestaan, met te veel kracht, zodat zijn stoel was omgevallen. Iedereen had hem aangegaapt. ‘Ik moet weg,’ had hij gezegd terwijl hij het lokaal uitliep. Of had hij het alleen maar gedacht, hij wist het niet zeker meer.

De liftdeuren sloten zich tergend langzaam. Ongeduldig drukte Arthur nogmaals op de knop van de begane grond, alsof dat iets zou uithalen. Eerder het tegendeel. Met een schokje ging de cabine omhoog. Zie je wel!

De twee engerds stonden vlak bij hem, met hun linnen tasjes tegen de borst gedrukt. De vrouw had een slechte huid. Op haar neus stond een verkeerd brilletje. Telkens als ze lachte kwam een aanzienlijk deel van de kunststofrand boven haar tanden bloot. Ze sprak onafgebroken, de slijmbal hoefde slechts hier en daar wat olie te druppelen om de conversatie gaande te houden.

‘Ik heb van het weekend best wel hard geleerd aan het tentamen. Vrijdag niet. Ik was al om twee uur thuis, maar ik ben toch niet gaan leren. Ik dacht: hè get nee, op vrijdagmiddag ga ik niet leren. In plaats daarvan heb ik heel uitgebreid gekookt.’

‘Lekker!’

‘Jeetje Tjerk, in die tekst van Hras stonden zo vreselijk veel moeilijke woorden. “Ongeconditioneerde reactie” bijvoorbeeld. Dat heb ik gelijk doorgestreept, dat wekt bij mij alleen maar agressie op. Kriebels!’

‘Prima, toch.’

‘Vanavond ga ik naar een feestje, lekker uit m’n bol. Ik heb me voorgenomen heel bewust niet te gaan netwerken.’

Op de zevende etage stapte een man in overall naar binnen. Zonder een woord te zeggen drukte hij op het onderste knopje.

‘Het was best wel moeilijk om de verschillende ideeën van al die sociologen en psychologen uit elkaar te houden. Daarom leer ik er één per dag.’

Tjerk knikte stevig, zijn staart wipte op alsof hij een dubbele oxer nam.

‘Soms staat er wel eens iets in dat je denkt: dat is leuk, daar heb ik wat aan. Ik leer niet voor tentamens maar om dingen te onthouden waar ik wat aan heb.’

‘Ik heb het hele weekend niks gedaan, ik baal van dat studeren. Altijd maar binnen. José en ik zijn naar De Rijp geweest. Ze kan daar misschien een praktijk krijgen. Enig daar. Kleine huisjes met puntdakjes en kleine mensen.’

‘Spannend, ja!’

Voor de deuren geheel open waren geschoven wrong Arthur zich tussen de twee door. Hij gaf de vrouw een duw, waardoor ze tegen de liftwand viel.

‘Hé zeg,’ gilde ze als een geknepen big.

Zonder om te kijken stortte Arthur zich in de draaideur. Lucht moest hij hebben, frisse buitenlucht, voor hij iemand bij de strot greep.