Kalm Blijven

Michel Boll heeft een nieuwe roman geschreven. De Nederlandse literaire wereld houdt vol verwachting zijn adem in. Nee, dat niet… De groep lezers die zijn eerder verschenen romans en verhalen kent kijkt er absoluut naar uit. Als geen ander heeft Michel Boll een gevoel voor humor dat opgewassen is tegen de narigheid en het intermenselijk onbegrip dat het leven met regelmaat uitserveert. Het is jammer dat niet wat meer lezers de weg naar zijn oeuvre gevonden hebben. Vandaar dat we bij het verschijnen van de nieuwe roman Kalm Blijven deze website hebben opgezet om lezers via deze ruime bloemlezing uit Bolls verhalen en romans zijn boeken binnen te trekken. Try before you buy zeg maar, al is hier ook de aansporing Try before you die op z’n plek. Gun jezelf de kennismaking met deze – volgens critici – laconieke, absurde en narrige schrijver van humoristische werken met een psychologische blik. Het leukste is natuurlijk om direct naar één van zijn boeken te grijpen, maar voor de kat-uit-de-boom-kijkers is op deze website een rijke verzameling aan uitgebreide citaten terug te vinden.

Om te beginnen hier uit Kalm Blijven:

Sommige mensen leven onvoorzichtig…  Dat is niks voor de nerveuze Jacob Gropper, die  beren al spot voor ze zelfs maar een poot op de weg gezet hebben. Jacob heeft uiteraard zijn zaakjes op orde en kalm blijven is zijn motto. Maar dan belandt Jacob op een dag op de plek die hij het meest van alles vreest. Het is het begin van een reeks verrassende, tragikomische ontwikkelingen, nauwgezet en met veel humor door Michel Boll beschreven.

Welkom in de bijzondere wereld van Jacob Gropper, waarin zelfs jam, ademhaling, crimi’s, ongelukken en aardbevingen niet meer zijn wat ze lijken en Wenen opeens de place to be is.

Kalm Blijven begint op straat in Hilversum:

Kruispunt

Wat Jacob Gropper hier doet, twee dagen voor zijn veertigste verjaardag, om halfeen ’s middags op dit weidse kruispunt in het winkelgebied van Hilversum? Niet doodgaan, daar komt het kort gezegd op neer. Een halfuur niet doodgaan, met rondom uitzicht op de fantasieloze etalages van filialen van Douglas, T-Mobile, Sport 2000, de Hema en die superirritante Benetton met de aankondiging van de zoveelste sale van hun narcistische poppenkleertjes. Maar dat kan toch overal, niet doodgaan? Waarom per se op straat, op de hoek van de Kerkstraat en de Zeedijk, een doorgangsplek waar zelfs straatmuzikanten en goededoelenventers niet blijven plakken? Wat maakt dit met kleurige klinkertjes geplaveide kruispunt, waar zich rond het middaguur kantoorpersoneel overheen haast in een poging de lunchpauze te optimaliseren door het doen van kleine, praktische aankopen, nou bij uitstek zo’n geschikte plek om niet dood te gaan? Niemand let hier op Jacob. Hij staat hier vrijwel iedere werkdag op dezelfde plek, op een paar meter afstand van de winkelruit van de parfumerie. Een grote en toch onopvallende gestalte in een lange, donkergroene jas, kauwend op een broodje. Zo wil hij het: niemand die op hem let en tegelijk kan hij ieder moment verandering in de situatie brengen door met een enkel schel geluid en wilde gebaren onmiddellijk de aandacht van tientallen voorbijgangers op zich te vestigen. In de hoop dat die hem zullen helpen overleven. Het had iets ironisch. Jaren geleden had Jacob een periode, een halfjaar zelfs, in Hilversum rondgelopen met de gedachte er een eind aan te maken. Hij was op zijn zachtst gezegd bepaald niet op zijn best, toen. Zijn psyche werd volledig gedomineerd door de gedachte dat hij er binnen vijftien minuten een punt achter moest kunnen zetten. Dat verlangen tot levensbeëindiging had in feite niets met Hilversum te maken, al zou je, als je het centrum en het uitgaansleven van de stad een beetje kent, gemakkelijk op die gedachte kunnen komen. De stadskern van Hilversum heeft het zelfs tot internationale faam gebracht. Regelmatig worden buitenlandse stedenbouwkundigen door het demoraliserende stratenplan geleid. Wie fietsend de weg kwijtraakt, is reddeloos verloren gezien het grote aantal kromme en vreemdbochtige straatjes, waardoor je al gauw niet meer weet welke kant je opgaat en je zo grondig gedesoriënteerd raakt dat het je niet zou verbazen als je op een bepaald moment jezelf op de rug zou zien.  Nee, het was eerder een praktische kwestie, aangezien hij ook toen al in Hilversum werkte, de perrons van station Hilversum Noord makkelijk betreedbaar zijn en de intercity richting Naarden-Bussum met voldoende vaart langsrijdt. Hij had de situatie uiteraard verkend, zodat hij als het moment daar was de boel niet zou verknoeien en als een soort clown alleen zijn benen eraf zou laten rijden. Depressiviteit is een gruwel, maar depressief in een rolstoel rondrijden met een lichaam dat bij je reet ophoudt, dat is helemaal een sof. Vandaar dat Hilversum-Noord als zijn uitstapoptie gold.

Het eerste deel van de roman speelt zich vrijwel geheel af in het ziekenhuis waar Jacob belandt. Zoals gezegd voor hem de plek die hij het meest van alle plekken vreest. Ook daar een paar fragmenten van:

Donderdag

‘Bruin of wit? Bruin of wit, wat u wilt,’ zei een vrouwenstem in zijn richting. ‘Oh nee, u ligt aan ’t infuus, sorry, ik keek niet goed.’ ‘Hij is nog ver weg,’ sprak een andere, jonge vrouwenstem vergoelijkend. ‘We gaan meneer Gropper nog maar even met rust laten. Die heeft afgelopen week een flinke jas uitgedaan…’ Een week? Zijn jas? Waar had dat mens het over? Jacobs linker ooglid trilde. In een flits zag hij haar staan. Sodeju, het nazimeisje! Hoe was dat mogelijk! Ze had hem gevonden – maar dat kon toch helemaal niet! Zou ze hem in de gaten hebben gehad, toen hij haar observeerde in de trein? Had hij te lang haar kant opgekeken? Hij wist nog dat hij overwoog haar te schaduwen toen ze het station verliet en richting Danswijk wandelde. Iedereen moet zijn steentje bijdragen aan de binnenlandse veiligheid! Samen, met elkaar, kunnen we het risico van een aanslag of staatsondermijning zo klein mogelijk maken, zo heette het. Het meisje, of moest hij haar niet beter omschrijven als jonge vrouw – het maakte het er niet makkelijker op dat hiervoor geen strikte richtlijnen zijn –, was hem direct opgevallen toen hij op het voorbalkon van het treinstel was neergezakt op een van de klapstoelen. Zijn vaste plek sinds er enige tijd geleden op de zachte banken een zwaar hijgende dikkige kantoorman tegenover hem was neergeploft. De man had klaarblijkelijk alles op alles moeten zetten om de trein te halen. Zijn raspende, ontregelde ademhaling boezemde Jacob niet alleen angst in maar genereerde ook walging: hij voelde zijn adem in zijn gezicht en door zijn haren, een gruwelijke ervaring. Om een dergelijke ongewenste intimiteit in de toekomst uit te sluiten, nam Jacob voortaan genoegen met de minder comfortabele klapstoeltjes. Sommige mensen vragen erom in de gaten gehouden te worden en het meisje schuin tegenover hem dat tegen de achterwand van de cabine van de machinist geleund stond, was er één van. Ze was robuust gebouwd en ging gekleed in een blauw windjack, een nog iets donkerder spijkerbroek en stevige, hakloze schoenen. Het enige opvallende aan haar was de onnatuurlijke diep oranje kleur van de korte krullen boven haar boerse gezicht. Ze stond met gesloten ogen tegen het kunststof muurtje aan. Voortdurend knikte ze met haar hoofd, hetgeen kon beduiden dat ze naar fijne muziek luisterde of naar de gedigitaliseerde verzamelde toespraken van Joseph Goebbels, waar ze het kennelijk zeer mee eens was, gezien haar instemmende knikken. Mensenlief, Jacob had zelden iemand meegemaakt die met zo veel overtuiging naar die rotte praat van Hitlers letterknecht luisterde. Waar al die drek wel niet toe geleid had, godsamme! En dat meisje maar knikken, ze deed niet eens moeite om het te verbergen. Ze vertrouwde erop dat in deze tijden niemand haar zou herkennen als aanhanger van het nationaalsocialisme, zo druk als iedereen was met op moslims letten. Knik, knik, knik… Zou er dan niet één uitspraak zijn waar ze het niet mee eens was? Wat voor een jeugd moest je gehad hebben om op zo’n leeftijd al zo rabiaat te zijn? Was het niet Jacobs plicht om haar op straat te volgen, op weg naar een samenkomst in een ongetwijfeld onder een dekmantel gehuurde ruimte in een buurthuis? Of op zijn minst onder een viaduct in te halen en een enorme klap te verkopen? Pats en nog eentje. En deze is nog van Anne!

(…)

Zaterdag

‘Peet, wat ben je vroeg!’ Peter is de zoon van de buitengewoon dikke vrouw in het ziekenhuisbed naast Jacob, zijn naam was eerder gevallen. Koortsig maar nieuwsgierig gluurde hij door zijn oogharen. Ter hoogte van zijn voeteneind was een gestalte tot stilstand gekomen. Dat zal Peter zijn, stelde Jacob vast. Maar waarom had hij een roeiboot meegenomen naar het bezoekuur? Was de polder ondergelopen terwijl ze hier onmachtig ziek lagen te zijn? Met de groene knop liet Jacob de bovenste helft van zijn bed iets omhoogkomen en hij gluurde nog eens, probeerde de contouren scherper te krijgen in het tegenlicht. De zoon stond er nog steeds, met die opblaasboot onder zijn arm. Toen deed hij twee stappen naar voren, draaide een kwartslag en manoeuvreerde zich tussen het bed van zijn moeder en de vensterbank. Het is geen boot, hij is het zelf! Zijn torso was gigantisch, de jongen was zelfs twee keer zo dik als zijn moeder, een vrouw die met spoed was opgenomen omdat hart en longen dreigden te bezwijken onder de druk van haar lichaamsmassa. Ze was het afgelopen jaar al een paar keer met de ambulance binnengebracht omdat ze, als suikerpatiënt, op straat even weg raakte en als een gestrande walvis neerzeeg, waarna de ziekenbroeders haar steevast slapend op het plaveisel aantroffen. Vanuit zijn ooghoeken zag Jacob dat de zoon een eigen stoel, waarschijnlijk van onfeilbaar onderzeebotenstaal, had meegebracht en erop neerzakte. In één vloeiende beweging ging zijn vlezige hand door naar de schoudertas die tegen de bocht van zijn buik hing. De hand verdween in de tas en griste een banaan tevoorschijn. Tevreden en met het gevoel dat het klopte, sloot Jacob zijn ogen weer. De koorts bleef onverminderd hoog, maar zijn humeur knapte hier best van op. Er ontspon zich een smiespelend gesprek over etenswaren en daarna, wat luider, over Peters werk, een halve kantoorbaan, waar gezien zijn omvang anderhalve baan meer op zijn plaats had geleken

(…)

Maandag

Meneer Bronotte schraapte zijn keel om zijn stem te testen en zei met enige nadruk: ‘In Zwitserland is het verplicht twee konijnen in een hok. Dat is bij kantonnale wet geregeld, de kg, de Kaninchen Gesetz noemen ze dat.’ ‘Serieus?’ ‘Ja, ik ken iemand in Zwitserland, een oud-collega. Nou, dan maar geen konijn, zei ie. Het was op zich sympathiek dat de Zwitsers oog hadden voor psychosociale dierenproblematiek, overwoog Jacob, maar je zal maar een konijn zijn dat op privacy is gesteld, dan zit je de hele dag met een konijn in je hok. Te laat realiseerde hij zich dat hij dit hardop had moeten uitspreken. Weer een kans voorbij om aan te haken. Het was simpelweg geen voor de hand liggende optie voor Jacob, het uitspreken van gedachten.

(…)

Dinsdag

‘Kom ik ongelegen?’ Die was voor het inkoppen, maar Jacob liet deze voorzet voor open doel langs gaan, nadat hij zielzorger Augustijn Dassen Bremer recht in het gezicht had gekeken. Dat deed hij meestal niet, mensen pontificaal in het gezicht kijken, dat wekte verwachtingen die hij niet waar kon maken. Maar deze man straalde zoveel vriendelijkheid uit met zijn haastig gekamde haar, zijn Winnie the Pooh-achtige gelaatstrekken, geaccentueerd door een bril die eruitzag alsof hij hem vijf minuten geleden van iemand anders’ neus had gegrist, dat hij niet anders kon antwoorden dan: ‘Nee hoor, ik was niet van plan om ergens naartoe te gaan. Misschien dat de zaalarts straks nog langskomt. Maar je weet nooit precies wanneer dat is.’ ‘Ja vervelend is dat hè?’ ‘Dus ongelegen: nee. Wel ongevraagd.’ De zielzorger lachte. ‘Vroeger vinkten we gewoon het lijstje af, ging dominee Pels langs bij de protestanten en ik als pastor bij de katholieken. Maar tegenwoordig wordt er bij het inchecken niet eens meer geïnformeerd naar religieuze komaf.’ ‘Ik begrijp dat wel, de kerk speelt nauwelijks meer een rol.’ ‘Nou meneer Gropper, het geloof toch nog wel, mag ik hopen?’ ‘Niet bij mij.’ Toen een reactie uitbleef, knoopte hij eraan vast: ‘Ik heb niets met het geloof.’ ‘Oh dat kan. Maar is het dan niet fijn om ergens bij te horen?’ ‘Misschien.’ ‘Maar zou het niet geweldig zijn als er iets was? Hierboven of hierna? Dat zou toch, nou ja, op z’n minst een opluchting zijn…’ ‘Ik wil een teken!’ Hij flapte het eruit voor hij er erg in had, stom. ‘De hele schepping is in wezen een teken, de hele natuur. De aarde is een wonderlijk geschenk.’ Jacob boog zich naar Augustijn Dassen Bremer, die een stralend gezicht had, blij met het contact dat hij had weten te leggen. Met een iets zachtere stem, als vreesde hij te dwingend over te komen, herhaalde hij: ‘Ik wil een eigen teken! Ik ben verdomme 39, kan het een keer!’ ‘Tja, een eigen teken…’ ‘Ik woon al twintig jaar op hetzelfde adres, ’t is niet dat ik lastig te vinden ben, wel? Ik werk al twintig jaar voor dezelfde baas en als ik al op vakantie ga laat ik bij de buurvrouw het adres achter. Ik ben geen zigeuner waar je de hele tijd achteraan moet lopen. Echt, mijn deur staat altijd open!’ Wat niet helemaal klopte, zijn deur zat juist altijd goed op slot, maar bij wijze van spreken: open. Bovendien had God zo’n open deur niet nodig, die kon gewoon door de muur, als Hij wilde, maar het leek Jacob beter om dat op dit moment maar even voor zich te houden. Die Augustijn leek hem een geschikte vent, het was niet nodig om hem op z’n ziel te trappen met zo’n cartoonachtige voorstelling van zaken. ‘Oké, oké, daar heeft u een punt. Persoonlijk zie ik in het feit dat we bestaan een enorme aanwijzing, maar ieder ziet het op zijn eigen manier, dat kan zeker, absoluut ja.’ Terwijl hij omhoogkwam van zijn stoel, rondde hij het gesprek af. ‘Het was goed dat we elkaar even gesproken hebben, toch? En wat fijn dat u aan de beterende hand bent.’ Jacob knikte welwillend, al kon hij zich niet herinneren dat ze het daar over gehad hadden. Pastor Dassen Bremer had al een paar stappen in de richting van de deur gezet toen hij zich nog eenmaal omdraaide en vilein als inspecteur Columbo vroeg: ‘Verwacht u nog bezoek van familie of vrienden, vandaag?’ Was dat pesterig bedoeld? Het leek Jacob wijzer om er niet op in te gaan. ‘Daar kan ik verder geen mededeling over doen. Maar evengoed bedankt dat u langskwam.’ En weg was Augustijn Dassen Bremer, wat Jacob meer speet dan hij verwacht zou hebben. Hij had nog wel wat gedachten over de schepping en met name de Schepper aan hem kwijt gewild. Dingen waar hij normaal gesproken zijn mond over hield, die veilig lagen afgezonken, maar die door het onverwachte gesprek nu naar boven kwamen drijven.

(…)

Dat ziekenhuisverblijf doet iets met Jacob. Wat precies, dat kun je lezen in de delen die volgen, in de boekversie van Kalm blijven, met een klein beetje geduld overal verkrijgbaar. Lees Kalm blijven en je zult begrijpen waarom de literatuurkritiek over de drie eerdere boeken van Michel Boll zo enthousiast was.

‘Boll’s verhalen steken goed in elkaar. Hij werkt met gedurfde perspectiefverschuivingen, typeert raak en stileert recht voor z’n raap, flitsend. Er staan ook prachtige beelden en vergelijkingen in zijn verhalen. Een origineel, geestig en trefzeker debuut.’ (juryrapport Debutantenprijs 1996) ‘Puur door zijn stijl slaagt Boll erin zijn personages verantwoord neer te zetten.’ (Elsbeth Etty, NRC Handelsblad)

In 1997 verscheen bij De Arbeiderspers de roman Krimp, waarin de voorgeschiedenis uit de doeken wordt gedaan van de mentale instorting van de jonge werkloze wiskundeleraar Arthur Weegbree. ‘Een even laconiek als schrijnend opgeschreven verhaal. Michel Boll zet zijn vertellerstalent, zijn gevoel voor details en zijn onmiskenbare psychologische blik in voor een moderne zedenschets. Mooi en beklemmend.’ (Elsbeth Etty, NRC Handelsblad) ‘De problematiek mag dan tamelijk zwaar zijn, de uitwerking is geestig.’ (Johan Diepstraten, De Stem & De Limburger) ‘Michel Boll heeft een groteske roman geschreven waarin humor en ellende hand in hand gaan. Sommige passages zijn hilarisch. Krimp bevat tal van citaten om in te lijsten. Ik heb me in geen tijden met een Nederlandse schrijver zó vermaakt.’ (Jacob Moerman, Drents Groningse Dagbladen) ‘Krimp leest lekker weg. Ik blijf de grote bewonderaar van deze narrige schrijver.’ (Ton Verbeeten, De Gelderlander) ‘Hopelijk hoeft het geen decennium te duren voor deze auteur, die echt iets over onze tijd en deze maatschappij te zeggen heeft, literaire erkenning krijgt.’ (Joris Gerits, De Morgen)

In de ambitieuze roman Houdini of De Tussentijd© laat Boll zien hoe zijn hoofdrolspeler Timon Tornberg alle trucs uit de kast haalt om aan de dood te ontsnappen. Nadat in Kus me kus me kus me de fricties en misverstanden tussen de personages centraal stonden en in Krimp de frictie tussen het hoofdpersonage en de maatschappij, gooit Boll er in Houdini of De Tussentijd©. nog een schepje bovenop en laat hij Timon Tornberg zijn strijd uitvechten met het leven, het universum en de schepper daarvan. Grote problematiek, maar altijd met veel humor behandeld en neergeschreven. Frans Keizer oordeelde in Inkt!: ‘Boll hanteert een aparte schrijfstijl en een bijzondere manier van karakterisering. Meer dan om religie draait het in Houdini vooral om de psychologie, met name met betrekking tot angsten en depressies. (…) Houdini is op een inventieve manier vormgegeven die goed past bij de inhoud van het boek.’ ‘De flaptekst van dit boek over een ontsnappingskunstenaar is door God geschreven; een literair spel. Romanconventies worden in dit boek geïroniseerd. De stijl is krachtig en relativerend. Wanhoop, depressie en onvermogen zijn hier doeltreffend omgezet in humor,’ schreef Biblion-recensent Jos Radstake na de uitgave.

En tenslotte citeren we nog Maarten ’t Hart: ‘Houdini heb ik met groot genoegen gelezen!’

Maar het allerbelangrijkste is uiteindelijk je eigen oordeel. Lees Kalm Blijven, geniet ervan, en ontdek waarom de roman is opgedragen aan Clive Jones, de vertolker van korporaal Jones uit de befaamde Britse tv-serie Daar komen de schutters.