Houdini

Tien jaar lang werkte Michel Boll aan zijn meesterwerk, de fraai vormgegeven roman Houdini of De Tussentijd. Het boek verscheen in 2010 bij de dappere Amsterdamse uitgeverij Mastix Press. Bij deze uitgeverij verscheen ook de tweede druk van Kus me kus me kus me en Krimp. In de ambitieuze roman Houdini laat Boll zien hoe zijn hoofdrolspeler Timon Tornberg alle trucs uit de kast haalt om aan de dood te ontsnappen. Nadat in Kus me kus me kus me de fricties en misverstanden tussen de personages centraal stonden en in Krimp de frictie tussen het hoofdpersonage en de maatschappij, gooit Boll er in Houdini nog een schepje bovenop en laat hij Timon Tornberg zijn strijd uitvechten met het leven, het universum en de schepper daarvan. Grote problematiek, maar altijd met veel humor behandeld en neergeschreven.

De roman wordt geopend door Wilfred, al jarenlang de beste vriend van Timon, die hem zijn geschriften in bewaring heeft gegeven. Als de ouders van Timon op het punt komen hem na een maandenlange vermissing dood te laten verklaren, wordt Wilfred overmand door nieuwsgierigheid naar de inhoud van Timon’s geschriften.

Al die maanden dat Timons lot vaag heen en weer zwabberde tussen vermist en overleden, had ik me keurig ingehouden, maar op het moment dat zijn moeder over die afscheidsbijeenkomst belde, toen knapte er iets, sprongen de veters uit mijn fatsoenskorset. Nog geen uur na dat telefoontje had ik me Timons nalatenschap ruw toegeëigend, een nalatenschap die iedere letter omvatte die hij ooit op zijn computer geschreven had. Drie gewatteerde enveloppen met diskettes en cd-roms, ieder schijfje apart verpakt in een dichtgeplakt en met een handtekening verzegeld envelopje. (…) Timon was altijd als de dood geweest dat er ooit iets van zijn verzinsels als gevolg van eigen of andermans stommiteiten, zenuwlijderij, of van inbraak, brand en rampen, verloren zou gaan. (…)  Vier back-ups hield hij in totaal bij: eentje in zijn werkkamer, één in de box op de begane grond van de flat waarin hij woonde, een exemplaar in een kluisje van de Amrobank in het kleine winkelcentrum aan de rand van de wijk en eentje bij mij thuis. Bij een inbraak of brand, zo was de redenering, zou hij hooguit twee kopieën tegelijk verliezen. In geval van een brand die meerdere verdiepingen van de flat zou aantasten, bleven altijd nog de exemplaren in de bank en bij mij thuis gespaard. In zijn doemscenario’s had hij zelfs het neerstorten van een middelgroot tot groot vliegtuig betrokken. Hij had daartoe de dag na de Bijlmerramp per metro de plek des onheils bezocht. Later had hij aan de hand van gegevens over de omvang en spanwijdte van een viertal typen verkeersvliegtuigen, en over de inhoud en explosiviteit van de brandstoftanks, met behulp van een Falk-stadsplattegrond van Amsterdam uitgedokterd dat het onmogelijk was dat een neerstortend vliegtuig of losgeraakte, meer dan vuistgrote onderdelen daarvan, zowel de flat als de bank en tegelijk ook mijn kilometers verderop gelegen huis zouden raken. Zelfs in het geval van een buiklanding zou het toestel zoveel obstakels op zijn weg treffen dat van een noodlottig doorschuiven geen sprake kon zijn. Hij had me de plattegrond, voorzien van met stift overgetrokken passercirkels, zelf laten zien. Grijnzend, maar dat betekende geenszins dat hij het niet meende. (…)

Ik heb Timons dagboeken gelezen, zijn aantekeningen voor verhalen en de drie opeenvolgende stadia van zijn roman. Jarenlang heb ik over die spullen onder in mijn klerenkast gewaakt. Het zou niet bij me opgekomen zijn er ooit in rond te neuzen en zie nu het gemak waarmee ik met een paar muisklikken Houdini aan mijn broer mail, secondewerk. Dean is eindredacteur van een paar vakbladen en veelgevraagd freelance corrector bij een uitgeverij. Dat lijkt in dit geval wel heel toevallig, maar het is echt zo. Hij is van origine classicus, niet echt stom dus. We hebben afgesproken om Houdini samen af te maken en misschien voor een deel in oude staat te herstellen, uit het oogpunt van authenticiteit. En Dean wil sowieso meer dialoog inbrengen om de boel te verlevendigen. ‘Ik weet niet of dat een goed idee is.’ ‘Jawel, Wil. Echt. Je zult het zien.’ Kijk nou, ging het bij het lezen herhaaldelijk door me heen. Kijk Timon nou toch eens, met al z’n zorgen en gedoe en zijn goede bedoelingen, alle moeite die hij doet om er bovenop te komen, er iets van te maken, op z’n minst dan toch maar zijn hoofd boven water te houden, onwetend van wat er allemaal nog boven dat hoofd van hem hing. Wonderlijk hoe weinig je als mens weet van wat je te wachten staat en dat Timon al die jaren niet heeft kunnen bevroeden dat hij op een dag alsnog een einde aan zijn leven zou maken, en dat het besluit daartoe in een tijdsbestek van vijf minuten werd genomen – maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen.

Kijk ’m daar eens nietsvermoedend lopen, dacht ik toen ik afgelopen week voor de eerste keer door zijn teksten ging. Een Grieks drama is er niks bij. Ineens begreep ik waarom schrijvers schrijven: vanwege dit heerlijke poppenspelerige heersen over personages. Zo moet God zich gevoeld hebben, toen Hij nog bestond. Aan de andere kant, God zal zich toen toch ook wel eens hebben afgevraagd: is het eigenlijk wel oké, dat ik dit doe?

(…)

Als een ware Droogstoppel ontfermt Wilfred zich over het verzamelde schrijfwerk van de doodgewaande Timon en publiceert delen van de onaffe roman die Timon aan het schrijven was. Dus hieronder is Timon aan het woord, onder meer over zijn ziekte:

Het liefst zou ik surfer zijn. Ik heb eens op het strand van Guincho, in het zuiden van Portugal, een middag lang zitten kijken. Het was die dag zwaar bewolkt en de wind was krachtig. Op het strand was het nauwelijks te harden. Om niet gezandstraald te worden had ik me in de luwte van een gesloten terras genesteld. Maarit was in de bungalow gebleven. Op de zee voor me wemelde het van de razendsnel voorbijschietende surfers, zonder uitzondering jongens en jongemannen die gespierd en standvastig aan hun zeil hingen, met niks dan de wind aan hun hoofd. Niemand viel. Heel af en toe hield een enkeling het voor gezien en kwam aan land. Onderweg naar de kleedruimten liepen ze vlak langs me, slank en in nauwsluitend glibberpak, met donkere natte haren. Na een tijdje realiseerde ik me dat ik zat te kijken naar de verwezenlijking van de ultieme mannendroom: ongehinderd over het water te suizen, twee handen geklemd om een enorme erectie met een zeil eraan. Iets mooiers kon er niet bestaan: een zeil aan je pik en varen maar! Sinds die middag heb ik surfers nooit meer anders kunnen zien. Het liefst zou ik surfer zijn, maar ik ben psychiatrisch patiënt. Ik was al heel lang niet in orde, maar een paar jaar geleden werd het echt te gek.

De kwestie is dat ik chronisch depressief ben. Officieel bestaat die term helemaal niet, maar geen mens die daar achter komt. Ik heb hem zelf bedacht. Ik merkte dat als ik mijn depressiviteit al eens ter sprake bracht, nogal wat mensen reageerden met de mededeling dat ze ‘daar ook wel eens last van hadden’. Als op maandagmorgen de wekker ging bijvoorbeeld of hun vriendje het had uitgemaakt of als ze niet tegen hun nare baas konden. Ho ho, nee nee, dat heet gedeprimeerd. Ook niet leuk, maar geen ziekte. Let op: een depressie is een ziekte, geen zeurbui verdomme. Een officieel ziektebeeld met tien tot twaalf symptomen, waarvan je er, afgezien van somberte over een periode van zeker twee weken, ten minste vier moet hebben. Een gemiddelde depressie duurt drie maanden. Ik heb er meer dan tien gehad, dus ik ben helemaal niet geïnteresseerd in jouw dipverhaaltje. Ik was hier even iets aan het vertellen! Depressie hangt vaak samen met een angstsyndroom en heeft te maken met de overmatige en langdurige aanwezigheid van een bepaald stresshormoon dat de prikkeloverdracht in de hersenen stoort. Depressie is een lichamelijke ziekte. Die je met een heel klein vingertje kunt aanwijzen, in de spleet die de overgang vormt tussen twee zenuwcellen. Weet je wat, je zoekt het maar op, als je denkt het te willen weten! Ik ga d’r geen tijd in steken. Bovendien, als het je echt interesseert dan weet je allang hoe het zit, en zo niet, houden zo! Die desinteresse is een teken van goede gezondheid. Ga maar eens vragen, aan de rand van het strand, vraag honderd surfers hoe een depressie werkt en je krijgt honderd keer als antwoord: wablief?

(…)

Aan vooruitgang zijn ernstige nadelen verbonden. Van wie niets durft of kan zal na verloop van tijd niet veel meer gevraagd worden. Gaat het één streepje beter met je, dan ben je als bangerik de sigaar. Je progressie wordt onmiddellijk bestraft met een grote uitbreiding van het aantal gevaren dat voor je klaar ligt. Durfde je bij wijze van spreken eerst je bed niet uit, nu je dat wel hebt klaargespeeld zul je vervolgens de kamer uit moeten, en daarna je huis uit, de straat op, de straat uit, over het plein, het station in, de trein in en zo de stad uit, het land door, steeds enger en wijder, naar buurlanden door opstoppingsgevoelige tunnels en boten met de klep van voren, om te eindigen, ik durf het bijna niet te zeggen, in een vliegtuig dat met negenhonderd kilometer per uur naar een ander continent vliegt: de angst der angsten, machteloos en mal op hetzelfde spul surfend dat je bij iedere ademhaling in en uit je lichaam haalt, door min veertig graden, met elf kilometer niks onder je krent en daaronder een oceaan vol watertandende haaien. Door consequent nee te blijven zeggen tegen de straat hoefde je je niet eens druk te maken over het plein. Maar pak je de wereld bij een vinger, dan geeft ie je al gauw een hele hand.

 

(…)

Timon gunt ons een kijkje in het leven van een depressief en angstgestoorde mens, voor wie zelfs boodschappen doen al een avontuur is:

Ik háát supermarkten. Ik zal er nooit naar binnen gaan in een enkel T-shirt of overhemd en ook niet zonder boodschappenlijstje. Met name in de zomer is het temperatuurverschil van de buitenlucht met de airconditioned atmosfeer van de winkelruimte zo groot dat ik binnen een paar minuten zowat een rolberoerte krijg. Terstond na binnenkomst reageert mijn huid geschrokken, ook de onder kleding bedekte delen. Over mijn hele lichaam treedt een verkilling op die alle transpiratie in angstzweet verandert, meestal snel gevolgd door lichte duizeligheid en een onzeker, onheilspellend gevoel in de maagstreek. Als dit psychisch moet heten, dan denk ik zeker met mijn hele lichaam! Jas aan dus. Verder zorg ik er altijd voor dat ik goed voorbereid naar binnen stap, om mijn verblijf, ingesloten tussen tourniquet en kassarij, zo kort mogelijk te houden. Dus een boodschappenlijst mee die logisch ingedeeld staat en de loop van de winkel volgt en niet kriskras als een vlindertje langs de schappen fladderen. Dit om problemen te vermijden. Ik kreeg er bij Albert Heijn geheid de zenuwen van als een of ander logistiek genie weer eens had besloten dat een bepaald product, een blikje of een potje van het een of ander, zonodig voortaan op een andere plaats moest staan. Mijn psychomotoriek kon dat gewoon niet aan, dan stond ik daar volstrekt hulpeloos voor zo’n rek met tientallen potjes kruiden of ingrediënten en probeerde kalm te blijven door met de naam van het gezochte stevig in mijn geheugen geprent met mijn ogen de rijen te scannen op een bekend woordbeeld. Meestal had ik daar het geduld niet voor en stuurden mijn oogspieren mijn blik hollend vooruit, in één keer naar het einde van een rij, of drie planken naar beneden, met de gedachte dat als ik nou maar als een mitrailleur gespreid vuur zou geven, ik misschien bij toeval zou stuiten op wat ik zocht. Palmharten, wat dacht je daarvan. Nooit te vinden! Druiven zonder pit. Ik wist het merk, de maat en de kleur van de blikjes. Niks! Schichtig bewogen mijn ogen in een steeds hoger tempo over het assortiment. Op dat soort momenten moest ik onmiddellijk weg en wilde tegelijkertijd niet van m’n plaats komen voordat ik m’n spullen had: ik kon toch moeilijk weer thuis de mislukking melden van een boodschap die een kind van zes kon meebrengen. Iedere tel dat ik bleef staan nam mijn gewicht met tien kilo toe, mijn hoofd zoemde duizelend als een bijenzwerm. Misschien kon ik maar beter de hele kar met boodschappen laten staan, me tussen de kassarijen door wringen en de zaak uit snellen… Hoe kon zoiets bestaan! Een paniekaanval veroorzaakt door vijf rijen met glazen potjes en blikjes! Hoe moest dit heten, in de handboeken? Het potje-waar-ben-je-syndroom? De assortimentsfobie? Waarom hielp niemand me? Waarom schreef Maarit nog altijd geen boodschappenlijstjes waarop aangegeven stond waar de troep die ze wilde hebben geparkeerd was, zo en zoveel centimeter van de grond desnoods, zodat ik dan thuis voor de boekenkast kon oefenen in het blindelings grijpen? Drie dingen dus: een jas, een lijst en voortmaken. Vuistregels waarvan niet afgeweken mag worden, regels die niet afkomstig waren uit een neurotenbrein maar in mijn optiek werden gedicteerd door de werkelijkheid, noem het ervaringsregels.

(…)

‘Laten we dan iets leuks gaan doen.’

Iets leuks. Alsjeblieft. Dat kan er ook nog wel bij.

‘Probeer je dan tenminste te verheugen op de vakantie.’

Hoe dan?

De vogel Phoenix was ik! Hoewel, ik had nooit gerookt. In ieder geval had ik een majestueus gevoel op het moment dat de roltrap me vanuit de onderwereld van het metrostation terugbracht in het daglicht en de daklijsten van de gebouwen rondom Piccadilly Circus in mijn gezichtsveld verschenen. Naarmate ik steeg, zakten de met enorme neonreclames behangen winkels en kantoren tevoorschijn uit hun bovenste verdiepingen, alsof ze ter ere van mijn aankomst werden afgerold. Tegelijk zwol de uitbundige herrie van de grotestadsdrukte aan. Wat zouden farao’s graag een roltrap hebben gehad, dacht ik de paar tellen die nog restten voordat het mechaniek me op trottoirhoogte zou afleveren. Het eeuwige leven, én een roltrap… Ik vond het wel iets voor Toetanchamon om heel cool te verrijzen, één hand op de zwarte rubber leuning, het andere handje in de zij en dat ordinaire gouden masker voor zijn jongensgezicht. Voorzichtig stapte ik van de onder mij verdwijnende traptrede en deed een paar passen in de richting van het hekwerk dat voetgangers en autoverkeer scheidde. Ik was per boot en hovercraft al vaker in Londen geweest, maar nooit was ik van onderuit, in een tijdsbestek van een handvol tellen, midden in de kakofonie van beelden en geluid, van dubbeldekkers en taxi’s neergezet. Ik draaide me om en zocht naar de kleine gestalte van John Otto. Hij had een paar stappen in de richting van de fontein gezet. Zijn hand was op zoek in een binnenzak, zodat hij er bij stond als Napoleon.

(…)

Timon ontdekt dat de ‘psychofarmaceutische medicijnen’ die hij na verloop van tijd  krijgt toegestopt ook echt werken. In Frankrijk test hij de pillen uit tijdens een grotbezoek.

Niets maar dan ook niets merkte ik van de werking van die rotpil, mijn hart sprong op en neer. Nogmaals liep ik door het al geopende toegangshek een stukje het terrein op, zodat ik beter zicht op de ingang van de grot had. Zoiets was toch niet te geloven! Dat had ik weer. Zou je normaal gesproken bij een bezoek aan een grot toch verwachten onder de grond af te dalen, langs een uitgebikte stenen trap desnoods, maar niet hier, niet vandaag, nee Maarit de Kruier kiest speciaal voor Timon Tornburg een grot in een rotswand uit, in een wand van een kloof, met de ingang meer dan twintig meter boven de begane grond. Te bereiken over een iel, door een vijftigplusser na werktijd van luciferhoutjes gemaakt trappetje, dat diagonaal tegen de rotswand is geplakt. Zonder palen of poten, met helemaal niks eronder! Het hele ding hing daar aan die paar nonchalante ijzertjes die men in de rotsen had geklonken. Kalkrotsen, om precies te zijn.

Het ging veel te snel allemaal, ik had nauwelijks tijd gehad me te oriënteren of Maarit te laten uitzoeken hoe lang zo’n rondleiding dan wel duurde, of te klokken op welk tijdstip de vorige groep weer naar buiten kwam. Normaal gesproken posteerde ik me eerst een tijd bij de uitgang om aan de gezichten van degenen die het achter de rug hadden af te lezen hoe het binnen geweest was. Kan je er halverwege uit, dat is wat ik ze het liefst zou willen vragen op zo’n moment. En, kon je er halverwege uit? Kon dat? En of er misschien binnen een wc was – nee, dat zou ik nooit durven, uit angst uitgelachen te worden. Schandalig eigenlijk, dat je zoiets niet zou mogen verwachten – wat is het nu voor moeite om in een van die spelonken een plee met een deur ervoor neer te zetten. Waarom altijd maar blijven volhouden dat er geen bange en zenuwachtige mensen bestaan op de wereld? Waarom altijd denken dat die dan maar buiten moeten blijven? Waarom niet eindelijk eens de rechten van angstigen erkennen? Het zou zoveel schelen.

Maarit wurmde zich half naast me en ging op haar tenen staan om zachtjes iets in mijn oor te zeggen, met haar hand op mijn schouder. ‘Je zal zien dat het allemaal goed afloopt.’ Echt een moment om Eva Braun te citeren. Na enige tijd zette de groep zich in beweging voor een wandeling berginwaarts die tien minuten bleek te duren. Je zal eens een grot treffen die aan de ingang begint, nou vergeet het maar. De mars voerde door een slecht verlichte gang over houten vlonders die de kletsnatte bodem afdekten. De logica van die nattigheid ontging me volledig, ik had daarstraks met eigen ogen gezien dat het riviertje de Dard vele tientallen meters lager stroomde. Zou het water dan van de bezoekers afkomstig zijn? Condens van adem, zweet en dat soort dingen, en kwijl van ouderen? Zolang ik maar rechtop kon blijven lopen was er niets aan de hand. Ik krijg het benauwd van de kabouterachtige tunneltjes waar je soms doorheen wordt gedreven tijdens dit soort ondergrondse visites, zo gauw als ik vijftien tellen voorover gebogen loop word ik bang dat ik nooit meer overeind zal mogen. Dat slaat natuurlijk nergens op, maar het is een soort bangheid die zich niet laat ompraten. Een moment schrok ik op van Maarits hand die over mijn rug streek. Ze zou toch niet een lens zijn kwijtgeraakt in deze negorij? Maar nee, haar hand bleef even rusten aan de onderkant van mijn rug, juist boven mijn broekriem, het was alleen maar om even te laten voelen dat ze nog vlak achter me was. Op het moment dat we eindelijk de eerste echte druipsteenzaal binnenkwamen, was de rondleidster al lang en breed met haar explicatie begonnen. Ik luisterde al jaren niet meer naar dat soort praatjes in musea, kastelen en grotten en het verbaast me dat de meeste anderen dat nog wel doen. Natuurlijk is op dit soort plekken een enkele opmerking van een zinnetje of vier, vijf best op z’n plaats – moet je daar links eens kijken, dat is een… – maar ik heb nog nooit een gids meegemaakt die langer dan 23 seconden z’n bek kan houden, die zich in een paleis kan bedwingen niet ten minste negen voorouders of andere bewoners te noemen en met wie ze al dan niet tegen hun zin getrouwd waren, of een natuurverschijnsel aan te wijzen zonder er een cursus geologie bij cadeau te doen die teruggaat tot vlak na de Big Bang. Ik heb aan kijken echt genoeg. En dan hebben we hier een stalagmiet en die er tegenover heet een stalactiet, en ze waren er allebei allang voor u hier naar binnen kwam. Zoiets, en dan weer verder sjokken. Desnoods een verhaaltje over een boerenzoon die achter een kikkertje aanrende, opeens met een been wegzakte in de grond en zo in zijn onwetendheid de toegang forceerde tot deze wetenschappelijk wel zeer interessante grot, maar bespaar me de doopceel van de onderzoeker die als eerste aan een touw, met een lantaarntje, hier afdaalde. Ik vergeet het namelijk allemaal alweer voor ik hier twee keer een hoek omga, expres misschien wel, wie zal het zeggen, maar blijf voor de zekerheid voorlopig maar uit mijn buurt met rondleidingen, historische wetenswaardigheden en educatieve uitzendingen, je staat visvoer uit te strooien boven een bevroren vijver.

Uiteraard heb ik rond deze problematiek het nodige denkwerk verricht. Het Centraal Bureau voor de Statistiek meldt al jaren een toename van het aantal mensen met licht depressieve klachten. Ik zou in dit verband eindelijk wel eens de rol van Dick Bruna onderzocht willen zien, die beroerling. Is er iemand die Nijntje ooit heeft zien lachen? Veertig boekjes lang dezelfde uitgestreken depressieve kutsnuit. Nijntje is een enorme einzelgänger. Iedereen kan zien dat het stomme beestje geen echt warm contact met zijn familie heeft, ze staan er maar zo’n beetje omheen, de andere kant uit te kijken. Je zou haast ‘doe dan wat, steek een poot uit!’ tegen ze roepen, maak een afspraak voor dat kind bij de konijnenriagg. Hele generaties groeien zo op met de ferm in hun onderbewuste geplante gedachte dat er iets niet pluis is aan het leven.

(…)

We slaan een flink stuk over en belandden bij het moment dat Timon niet alleen als schrijver zijn draai lijkt te vinden, maar waarop opeens ook het vaderschap aan de horizon gloort. Al slaan zo ongeveer wel de stoppen door als hij in de gaten krijgt dat hij en zijn vrouw wellicht een drieling gaan krijgen. Hij krijgt die mededeling per telefoon op een bungalowpark, waar hij zich heeft teruggetrokken om te schrijven:

Veertigduizend liter urine komt eruit, in een gemiddeld mensenleven, had de BBC uitgerekend. Dat en achtentwintig meter nagels, negenhonderdvijftig kilometer haar groeit uit je hoofd. De mens had geen geheimen voor de bbC, alles was becijferd. Een mens zit elf jaar voor de televisie en brengt twaalf jaar door met praten, het zijn onweerlegbare feiten. Ieder uur maakte mijn lichaam één miljard nieuwe cellen, dwars tegen alle afbraak en sterven in. Constante vernieuwing, het lichaam was één grote, borrelende erlenmeyer op een blauw gaspitje. Ik dacht al: wat voel ik! De meeste onderdelen van je lichaam zijn veel jonger dan jezelf. Behalve je hersenen dan, daar komt niks bij, maar dat had ik om me heen kijkend al geconstateerd. Onderhand dijt het heelal uit. En krijg ik een drieling. Het dijt maar uit en uit; terwijl je dit leest, is er alweer een stuk bijgekomen. Was je concentratie verslapt tijdens het lezen en ga je één, twee alinea’s terug om de draad van het verhaal weer op te pakken: is het heelal alweer een stukje groter. O shit. Hoe groot het ook wordt, ik voel me steeds benauwder. Voor mijn gevoel is het vól. Die drieling kan er niet meer bij! Met z’n drieën zullen ze uiteindelijk honderdtwintigduizend liter urine maken. Zesendertig jaar zullen ze praten, waarvan een groot aantal tegen mij. Wat heel lief kan zijn, maar zal ik ooit nog met rust gelaten worden? En wat als ik de zenuwen krijg, is daar dan plek voor? Ik zal geen pen meer op papier zetten, geen vinger op een toets. Ik voelde me nu al verkrampen.

(…)

Toen ik me bukte om de bal mee te pakken voor een ereronde, wat donderde het, niemand die me hier zag onder de zomerzon in mijn omzoomde paradijsje, zag ik op de grens van het gazon en de bosgrond iets merkwaardigs met twee pootjes liggen. Het was een muisje, met de nadruk op was, precies doormidden gehapt door een hongerig iemand, de randjes waren nog stralend rood, dus vers. Twee van doodschrik stijve achterpootjes en een stijf staartje staken in de lucht, het zag ernaar uit dat het diertje heel onverwacht met deze tegenvaller was geconfronteerd. Ik vroeg me af wat zijn laatste gedachte was geweest, waarschijnlijk een of ander plannetje, ik zag muizen er niet voor aan dat ze zomaar een beetje liepen te niksen in het bos. Ik zou er op geen enkele manier ooit nog achter kunnen komen, als er al een duidelijke laatste gedachte was geweest, dan zat ie in de andere, ontbrekende helft. Gebogen over het muisje voelde ik me op slag een stuk kalmer worden. Ik vond het best een mooie metafoor en ik mocht dat ook vinden, ik was nu schrijver. Een metafoor voor het leven: zo ben je nog een hele muis, en zo nog maar een halve. Pluk de dag, voor de dag jou plukt.

(…)

Het moment van geboorte, per keizersnede, is daar:

‘Wil de vader even kijken?’ Uit de mêlee van zacht en nauwelijks ontwarbaar gepraat aan de andere kant van het operatiescherm had plotseling glashelder dit vriendelijke verzoek geklonken. Het was de alledaagsheid van de intonatie geweest die me er in had laten stinken. In het tiental minuten dat de operatie gaande was had ik me betrekkelijk veilig gewaand in de rol van zorgzame partner. Op voorstel van een verpleegster had ik plaatsgenomen op een krukje bij het uiteinde van de operatietafel, naast de anesthesist, zodat ik Maarit kon aankijken en door haar gepermanente krullen aaien terwijl haar met een ruggenprik verdoofde onderlichaam aan ons zicht was onttrokken door een lichtgroen operatielaken dat me deed denken aan een strandscherm. De hele situatie leek zich in een droom af te spelen: hoewel het operatieteam, op de vingers gekeken door een aantal studenten, op een meter afstand in het lichaam van Maarit aan het snijden was, bevonden ze zich in mijn beleving aan het andere einde van een straat. Het leek of mijn psyche autonoom tot een soort geneurie was vervallen om aan te geven dat wat er ook allemaal gebeuren mocht aan de andere zijde van het scherm, wij er eigenlijk niets mee te maken hadden. Ze doen maar, was de bewustzijnsvernauwende boodschap. Op zo’n moment wist de psyche zich weer heel aardig te redden, dat wel. ‘Even kijken?’ Het laatste woord van de chirurg hing nog in de lucht of ik kwam al gedwee overeind uit mijn schuilplaats, een knieboogachtige reflex die duidelijk maakte dat mijn eigen wil na twintig uur bevalling uitgedroogd en verschrompeld was. Door simpelweg van de kruk op te staan bevond ik me opeens in een ander vertrek, weg van Maarit, fel verlicht en vol mensen, die ik in eerste instantie slechts als groene vlekken waarnam aangezien mijn bril onmiddellijk besloeg door de kou die aan de andere zijde heerste. Toen ik mijn bril omhoogschoof was het alsof ik een toverlantaarn bediende. Het plaatje was het wonderlijkste dat ik in mijn hele leven ooit had gezien. Onder het felle licht van de operatietafel, midden in een kring van groene mannen en vrouwen, zag ik het hoofdje van mijn kind. Alleen dat hoofdje, dat als een kleine bal op Maarit d’r buik lag. Mijn dochter! Ze had haar oogjes geopend en keek omhoog naar het licht. Mijn camera had ik voor de operatie uit handen gegeven, maar dat gaf niet, met mijn hele wezen maakte ik een foto van dit moment van niet te evenaren schoonheid, iedere cel van mijn lichaam fungeerde als fotografisch materiaal.

Verbouwereerd liet ik mezelf op de kruk terugzakken. Terwijl ik naar beneden bewoog zag ik hoe twee handen haar bij de schoudertjes pakten en uit Maarit tilden. Iedereen begon enthousiast door elkaar te roepen. ‘Het is een jongen, een jongen.’ Op hetzelfde moment dat er een bedeesd en bozig ‘hè’ in mijn hersenen lossprong, corrigeerde een andere, gedecideerd klinkende stem het al. ‘Het is een meisje.’ Er klonk verbaasd en vrolijk gelach, als in een verjaardagskring waarin een enorm cadeau wordt uitgepakt. ‘Waar blijven de voeten!?’ riep weer een ander grappend. ‘Zo lang!’